place

Porte de Pantin

19e arrondissement (Parijs)Stadspoort van Parijs
Porte de Pantin y peripherique
Porte de Pantin y peripherique

De Porte de Pantin is een toegangspunt (Porte) tot de stad Parijs, en is gelegen in het noordelijke 19e arrondissement aan de Boulevard Périphérique. Vanuit de Porte de Pantin vertrok vroeger de nationale weg N3 naar Reims en Metz. Tegenwoordig is dit de RNIL 3. Bij de Porte de Pantin is het gelijknamige metrostation Porte de Pantin aanwezig, die onderdeel is van de Parijse metrolijn 5.

Fragment uit het Wikipedia-artikel Porte de Pantin (Licentie: CC BY-SA 3.0, Auteurs, Beeldmateriaal).

Porte de Pantin
Avenue Jean Lolive, Bobigny

Geografische coördinaten (GPS) Adres Website Nabijgelegen plaatsen
placeToon op kaart

Wikipedia: Porte de PantinLees verder op Wikipedia

Geografische coördinaten (GPS)

Breedte Lengte
N 48.89 ° E 2.4 °
placeToon op kaart

Adres

ESMOD et ISEM

Avenue Jean Lolive 30
93310 Bobigny, Mairie - Hoche
Île-de-France, Frankrijk
mapOpenen op Google Maps

Website
esmod.com

linkWebsite bezoeken

Porte de Pantin y peripherique
Porte de Pantin y peripherique
Ervaringen delen

Nabijgelegen plaatsen

Philharmonie de Paris

De Philharmonie de Paris is een Franse culturele instelling gericht op symfonische muziek. Ze is sinds de plechtige inhuldiging op 14 januari 2015 gevestigd in het gelijknamige gebouw, ook aangeduid als Philharmonie 1 gelegen in het Parc de la Villette in het 19e arrondissement van de Franse hoofdstad Parijs. President Jacques Chirac stond op de creatie van een nieuwe Philharmonie. Dit concretiseerde zich onder premier Dominique de Villepin, minister van cultuur Renaud Donnedieu de Vabres en burgemeester Bertrand Delanoë. De eerste plannen voor een gebouw op de site ontstonden in 2006. Architect Jean Nouvel kreeg de opdracht in april 2007 na een architectuurwedstrijd waar hij het opnam tegen onder meer Zaha Hadid, Coop Himmelb(l)au, MVRDV, Christian de Portzamparc en Francis Soler. Nouvel werkte vervolgens samen met Brigitte Métra de plannen uit. Akoestische expertise werd geleverd door Marshall Day Acoustics, Nagata Acoustics en Studio DAP. Het gebouw ligt aan de zuidoostelijke rand van het park, grenzend in het westen aan de Grande halle de la Villette en in het zuiden aan de Cité de la Musique. Het heeft een oppervlakte van 19.800 m² en heeft een ondergrondse parkeergarage voor 610 wagens. De financiering van het bouwwerk, ten belope van 386 miljoen euro werd gedragen voor 45% door de Franse staat, voor 45% door de stad Parijs en voor 10% door de regio Île-de-France. In het gebouw is een grote concertzaal, de Grande Salle Pierre Boulez, met plaats voor 2.400 toeschouwers ingericht, naast tentoonstellingsruimtes met 1.100 m² oppervlakte, pedagogische ateliers en repetitieruimtes. De Grande Salle is zo geconstrueerd dat naast een optimale akoestiek waaronder een aangepaste galm ook de meest achteraan gezeten toeschouwer slechts 32 m van de positie van de dirigent is verwijderd. Het volume van de Grande Salle is net geen 30.000 m³. In de zaal is ook een orgel gecreëerd door Rieger Orgelbau opgesteld en op 6 februari 2016 ingespeeld. Het orgel bevat 6055 pijpen, en is gemaakt van 25 ton hout en metaal. De Philharmonie de Paris is gelegen naast het complex van de Cité de la Musique, geopend in 1995, een complex dat tegenwoordig soms ook wordt aangeduid als de Philharmonie 2. Daar bevinden zich twee bijkomende concertzalen, voor respectievelijk 900 en 250 toeschouwers, evenals het Musée de la musique en een grote mediatheek. De Philharmonie heeft in Parijs ook nog de beschikking over de Salle Pleyel, gelegen in het 8e arrondissement. Het geheel wordt sinds 2001 geleid door Laurent Bayle. De residente gezelschappen in de Philharmonie de Paris zijn het Orchestre de Paris en het kamerorkest Ensemble intercontemporain. Daarnaast zijn er overeenkomsten met het Orchestre de chambre de Paris, Les Arts Florissants en het Orchestre national d'Île-de-France.

Grande halle de la Villette
Grande halle de la Villette

De Grande halle de la Villette is een open maar overdekte evenementenhal in het Parc de la Villette in het 19e arrondissement van de Franse hoofdstad Parijs. Voor het bouwwerk in 1979 deze functie kreeg, was het van 1867 tot 1974 onderdeel van de marché aux bestiaux de la Villette. Tegenwoordig is de hal de locatie van handelsbeurzen, tentoonstellingen, muziekfestivals en openluchtbioscoopvoorstellingen. Keizer Lodewijk Napoleon wilde ruimte in de stad creëren en als onderdeel daarvan de slachthuizen in de Parijse binnenstad liquideren. Hij gaf stedenbouwkundige Georges-Eugène Haussmann de opdracht dit uit te werken als onderdeel van de Verbouwing van Parijs. Haussman koos om meerdere reden voor een grote slachthuissite aan de rand van de stad. De grote hal werd gebouwd tussen 1865 en 1867 volgens de plannen van Jules de Mérindol, die zich liet assisteren door Louis-Adolphe Janvier. De toenmalige benaming was de "halle aux bœufs". Ze werd de kern van de veemarkt die zich op de site afspeelde vanaf 1867 tot de sluiting in 1974. Deze hal was de grootste van drie hallen op het terrein. Ze bood initieel plaats aan 1.360 grote runderen (koeien, stieren, ossen), later werden tot 5.000 runderen geplaatst. De hal stond in het midden van drie hallen. In de ene kleinere hal werden tot 1.950 kalveren en 3.240 varkens verhandeld, in de andere 3.900 schapen. Deze twee kleinere hallen werden in 1980 en 1986 afgebroken. Op 2 maart 1979 werd de grote hal geklasseerd als monument historique. De hal is tegenwoordig eigendom van de Franse staat en wordt uitgebaat door de Établissement public du parc et de la grande halle de la Villette. De hal heeft een oppervlakte van 26.000 m², is 245 m lang, 85 m breed en tot 19 m hoog.

La Villette (slachthuis)
La Villette (slachthuis)

La Villette, ook beestenmarkt van La Villette of slachthuizen van La Villette (Frans: abattoirs de la Villette, maar ook marché aux bestiaux de la Villette) was sinds de oprichting in 1867 een Franse veemarkt en slachthuis eerst in de gemeente La Villette, na annexatie door Parijs in het Quartier of wijk Quartier du Pont-de-Flandre, samen met Quartier de la Villette in het 19e arrondissement van de Franse hoofdstad gelegen. De slachthuizen speelden in de logistiek van de Parijse voedselmarkt een even grote rol als onder meer Les Halles. Keizer Lodewijk Napoleon wilde evenwel ruimte in de stad creëren en als onderdeel daarvan de slachthuizen in de Parijse binnenstad liquideren. Hij gaf stedenbouwkundige Georges-Eugène Haussmann de opdracht dit uit te werken als onderdeel van de Verbouwing van Parijs. Haussman koos om meerdere reden voor een grote slachthuissite aan de rand van de stad. De beslissing tot de bouw in La Villette werd genomen in 1859. Het grote centrale slachthuis diende de plaats in te nemen van vijf kleinere slachthuizen die in 1810 door Napoleon Bonaparte waren gecreëerd om de wilde en ongecontroleerde slachtingen verspreid over de stad tegen te gaan. Die vijf waren: de Abattoirs de Montmartre (ook Abattoirs de Rochechouart genoemd) in het 9e arrondissement, vlak ten zuiden van Montmartre en ten zuiden van de huidige Boulevard de Rochechouart op een site waar nu het Collège et Lycée Jacques Decour gevestigd is. de Abattoirs de Ménilmontant (ook Abattoirs de Popincourt genoemd) in het 11e ten noorden van de rue du Chemin Vert waar nu nieuwe straten en het kleine park Square Maurice-Gardette liggen. de Abattoirs du Roule (ook Abattoirs de Miromesnil genoemd) in het 8e ten noorden van de latere Boulevard Haussmann aan de Place du Pérou. de Abattoirs de Grenelle (ook Abattoirs des Invalides of Abattoirs de Vaugirard genoemd) in het 15e ten noorden van de huidige Boulevard Garibaldi en ten westen van de Avenue de Breteuil. de Abattoirs de Villejuif (ook Abattoirs d'Ivry genoemd) in het 13e op een site aan de Boulevard de l'Hôpital waar nadien de École nationale supérieure d'arts et métiers zich vestigde. Met het grote slachthuis kon men ook beter de markt overnemen van de slachthuizen van Poissy en Sceaux die mee de Parijse binnenstad bedienden. Hun impact was door toenemend transport van levend vee per trein tot in Parijs al gedaald, een groot slachthuis in Parijs met eigen treinstation maakte deze twee slachthuizen eigenlijk overbodig. De bouw onder leiding van de architect Jules de Mérindol, geassisteerd door Louis-Adolphe Janvier, nam een aanvang in 1860 en werd zeven jaar later afgerond. Voor de aanvoer van het levend vee werden dus twee stations aangelegd, die aansloten op de Petite Ceinture. De gare de Paris-Bestiaux aan de veemarkt ten zuidoosten van het canal de l'Ourcq en de gare de Paris-Abattoirs ten noordwesten van het kanaal waar het eigenlijke slachthuis gelegen was. Doordat het vee ook niet meer lange afstanden zelf zich moest verplaatsen, werd ook de verkoop van kalveren vanuit het platteland tot in Parijs haalbaar, en kon ook vlees van op grotere afstand tot in Parijs gebracht worden. De treinen die toekwamen in Paris-Abattoirs waren het eindstation voor het vee, van het vee dat verhandeld werd in Paris-Bestiaux ging een deel na verkoop terug de trein op voor verwerking in andere landsdelen. In het begin van de 20e eeuw kwamen elke verkoopdag (in de regel elke maandag en dinsdag) zo'n 48 treinen met tussen de 1.100 en 1.200 wagons toe, zo'n 200 wagons verlieten dagelijks ook terug gevuld het station. In de jaren die volgden steeg dit aandeel nog. De jaarlijkse omzet in La Villette liep op tot meer dan 2.700.000 dieren per jaar. In 1949 werden de installaties als verouderd bestempeld en werd een modernisering opgestart. Dit proces sleepte tientallen jaren aan en was bijzonder geldverslindend. Bij gebrek aan financiële middelen werd het zelfs in 1967 stopgezet. Het werd een financieel schandaal dat onderzocht werd door de Franse senaat en waarvan de malversaties de geschiedenis ingingen als het scandale de la Villette. Op 15 maart 1974 werden alle activiteiten van vee en slachting op de site stopgezet. Onder meer de Grande halle de la Villette waar de veemarkt in plaatsvond, werd behouden, en in 1979 erkend als monument historique, veel andere bouwwerken werden afgebroken en op de site herrees vijf jaar later het Parc de la Villette waarin nadien onder meer de Cité des sciences et de l'industrie en de Cité de la Musique werden ingehuldigd. De slachthuizen leven wel nog verder in foto's, romans en muziek (een nummer van Boris Vian uit 1954, Les Joyeux Bouchers, en uiteraard het nummer van Jacques Dutronc uit 1968, Il est cinq heures, Paris s'éveille waarin Dutronc vermeldt hoe het spek wordt versneden :"À la Villette on tranche le lard.")