place

Spelende hond

BeatrixparkBeeld in Amsterdam-Zuid
Spelende hond van Engelsen (2)
Spelende hond van Engelsen (2)

Spelende hond is een kunstwerk in Amsterdam-Zuid. De Noorse kunstenares Elena Engelsen woonde tijdens haar huwelijk met de Nederlandse stedenbouwkundige Wisse enige tijd in Amsterdam. Ze leerde beeldhouwen in de werkplaats van de Begraafplaats Buitenveldert, die werkplaats werd later opgeheven. Haar inspiratie haalde ze uit de dierenwereld, een gevolg van kennismaking met de Assyrische leeuwen bij het British Museum en de paarden in de fries van het Parthenon. In haar Nederlandse jaren wilde de gemeente Amsterdam het hondenbeleid aanscherpen; honden werden minder welkom in parken etc. Omwonenden van het Beatrixpark protesteerden daartegen en zamelden geld in voor een beeld van een hond om de gemeente Amsterdam milder te stemmen bij een eventueel verbod in genoemd park. Engelsen was bevriend met een van die omwonenden en kreeg het verzoek voor een beeld. De geldinzamelaars konden het niet eens worden over wat voor rashond gebeiteld moest worden, Engelsen koos voor een bastaardhond. Engelsen hakte de hond uit muschelkalksteen in de genoemde zerkenwerkplaats. Het beeld zou gedragen worden door een betonnen sokkel. Het voltooide beeld werd in 1978 overgedragen aan de gemeente Amsterdam, die het op 12 mei 1979 in het Beatrixpark liet onthullen. Het volgende jaar remigreerde Engelsen. In Noorwegen werd ze vervolgens beroemd met haar tijger voor het Station Oslo-Centraal.

Fragment uit het Wikipedia-artikel Spelende hond (Licentie: CC BY-SA 3.0, Auteurs, Beeldmateriaal).

Spelende hond
Diepenbrockstraat, Amsterdam Zuid

Geografische coördinaten (GPS) Adres Nabijgelegen plaatsen
placeToon op kaart

Wikipedia: Spelende hondLees verder op Wikipedia

Geografische coördinaten (GPS)

Breedte Lengte
N 52.344525 ° E 4.8820611111111 °
placeToon op kaart

Adres

Diepenbrockstraat
1077 VZ Amsterdam, Zuid
Noord-Holland, Nederland
mapOpenen op Google Maps

Spelende hond van Engelsen (2)
Spelende hond van Engelsen (2)
Ervaringen delen

Nabijgelegen plaatsen

Future past glory
Future past glory

Future past glory is een kunstwerk van Liet Heringa en Maarten van Kalsbeek in Amsterdam-Zuid. Het roestvaststalen beeld van 8,5 meter breedte en 5,30 meter hoogte staat in het Beatrixpark. Het is een eerbetoon aan architecte Ko Mulder, van 1930 tot 1965 werkend bij de Dienst der Publieke Werken. Zij was verantwoordelijk voor de inrichting van genoemd park, maar was betrokken bij de stedenbouwkundige inrichting van de stad Amsterdam met name die van na de Tweede Wereldoorlog. Daarnaast was ze ook betrokken bij de inrichting van de vele speelplaatsen met of zonder pierenbadjes, waarvoor architect Aldo van Eyck toestellen en badjes ontwierp. Een dergelijk bouwsel is ook in het Beatrixpark te vinden. De kunstenaars lieten zich beïnvloeden door het leven en werk van Mulder. In het beeld, dat gaandeweg de realisatie steeds aangepast werd, verwerkten zij bijvoorbeeld de jeugd van Mulder, die in Nederlands-Indië opgroeide en zelf aangaf beïnvloed te zijn door de overvloedige versierselen van de Borobudur. Een aantal versierselen op het beeld in het Beatrixpark verwijzen naar de vorming van de stad Amsterdam, gecentreerd rond de Dam vonden en die zich in steeds groter wordende cirkels ontwikkelde. Aan de hand van tekeningen die de kunstenaars leverden werden door lasertechniek uit platen roestvast staal elementen gesneden en vervolgens aan het beeld vastgemaakt. Deze haast tweedimensionale onderdelen vormen door ze achter elkaar te plaatsen een driedimensionaal beeld, al is de diepte niet groot ten opzichte van breedte en hoogte. Een deel lijkt daarbij voorover te hangen, een verwijzing, aldus de kunstenaars, naar de naar voren hangende gevels van Amsterdamse grachtenpanden, die door schoorconstructies op hun plaats worden gehouden. Het is het derde eerbetoon in Amsterdam aan Ko Mulder. In 1990 werd een plein naar haar vernoemd. Op dat plein staat sinds 1997 het Gedenkteken Ir. Jakoba Mulder. Future past glory werd op 12 oktober 2018 onthuld door de toen net aangestelde wethouder Kunst en Cultuur Touria Meliani ter viering van het 80-jarig bestaan van het park. De plannen dateren echter al van 2013, toen het park 75 jaar bestond.

L'après-midi d'un faune
L'après-midi d'un faune

L'aprés-midi d'un faune is een artistiek kunstwerk staande in een vijver van het Beatrixpark te Amsterdam-Zuid. Kunstenares Ellen Beerthuis-Roos kreeg via de gemeentelijke commissie, waarin haar docent Piet Esser zitting had, het verzoek een beeld te scheppen voor het Beatrixpark. Beerthuis-Roos was in 1955 afgestudeerd onder Esser en kreeg dat verzoek een aantal jaren later. Het zou haar eerste opdracht zijn (geweest). Beerthuis-Roos haalde inspiratie uit de Prélude à l'après-midi d'un faune, de compositie van Claude Debussy, en toog aan het werk. Ze had zelf al aangegeven dat ze een beeld annex fontein wilde maken, geschikt om in de eendenvijver te plaatsen. Van steen naar klein en brons ontwierp ze twee vrouwenfiguren, leunend en zitten tegen een boom. Een faun begeleidt de vrouwen op het kunstmatige eiland in de vijver. Het beeld leverde vanwege de figuratieve beeltenis (men wilde destijds liever abstracte beelden) inhoud een flinke discussie over de prijs op. Maar Beerthuis-Roos mocht verder werken en in 1962 kon het beeld geplaatst worden. Net als bij de latere Speelplastiek van Bart van de Weijer moesten er aanvullende maatregelen getroffen worden om het beeld niet te laten verzinken in de zompige ondergrond van het park. Alhoewel er door de Dienst der Publieke Werken een enorm project ingeschat was, bleek de uitvoering stukken eenvoudiger. In plaats van de vijver leeg te pompen, kon volstaan worden met granieten grondplaten als funderingsplaten. Waar geen rekening mee gehouden was, was dat het beeld een prima verblijf- en rustplaats werd voor vogels. Hun uitwerpselen zorgden er regelmatig voor dat de fontein verstopt raakte, die dan weer ontstopt moest worden. Daarom staat er al jarenlang een aparte fontein in dezelfde vijver.

Johnny & Jonesbrug
Johnny & Jonesbrug

De Johnny & Jonesbrug (brug 433) is een vaste brug in de Prinses Irenebuurt in Amsterdam-Zuid. De voetgangersbrug is gelegen over de toegang tot de cirkelvormige centrale grote vijver van het Beatrixpark. Het is gelegen naast de “vaste plantentuin”. In de directe omgeving staat het beeld Pinguïns van Jan Trapman. Het park dateert uit de periode 1936-1938 toen het werd aangelegd volgens een plan van Ko Mulder, architecte bij de Dienst der Publieke Werken. De brug is echter van aanmerkelijke jongere datum, ze dateert uit 1970/1971. Ze is vermoedelijk aangelegd vanwege de Floriade die in 1972 in dit park werd gehouden. Door middel van de brug kon het publiek geheel rond de grote ijver met fontein lopen. De brug overspant de toegang zonder jukken of pijlers en is grotendeels van hout. Het ontwerp is vermoedelijk afkomstig van de Publieke Werken. De brug ging vanaf het begin naamloos door het leven, dat wil zeggen alleen met nummer 433. De gemeente Amsterdam vroeg in 2016 aan de Amsterdamse bevolking om mogelijke namen voor dergelijke bruggen. Veel inzendingen werden niet gehonoreerd, maar deze brug kreeg de naam Johnny & Jonesbrug. Het is een vernoeming naar het duo Johnny & Jones, een befaamd jazzduo van vlak voor de Tweede Wereldoorlog, maar vanwege uitputting gestorven in concentratiekamp Bergen-Belsen. In het park zijn meerdere bruggen vernoemd naar musici. Brugnummer 433 was al eerder gegeven aan een duiker in de Beemsterstraat over een ringsloot naar de Watergangsestraat in Amsterdam-Noord. Het is onbekend of die duiker nog actief is.

Diepenbrockstraat 46
Diepenbrockstraat 46

Diepenbrockstraat 46 is een kerkgebouw aan de Diepenbrockstraat in Amsterdam-Zuid. De zijgevel staat aan de Herman Gorterstraat. Hier werd in de periode tussen 1931 en 1933 een kerkgebouw neergezet voor de Remonstrantse Gemeente in Amsterdam. Zij hadden al een kerk een de Keizersgracht, maar zagen ook dat de stadsuitbreiding aan de zuidkant van Amsterdam rijp was voor een kerk. De kerk werd eigenlijk nog in het niets gebouwd; de straat had nog geen definitieve naam; de kerk zou gebouwd worden op een geplande hoek aan de Verlengde Diepenbrockstraat. Hier lagen tot de jaren twintig nog landerijen, maar in het volgend decennium kwam de stadsbebouwing naar hier. In 1931 werd een zanderig terrein in de punt Zuider Amstelkanaal, Boerenwetering en Verlengde Diepenbrockstraat vrijgehouden voor het Vossius Gymnasium en ten noorden daarvan een kerk. De kerk kwam echter zuidelijk van gymnasium te liggen. In de winter 1931/1932 werd de bouw aanbesteed; een aannemer zag kan het gebouw voor 105.500 gulden te bouwen. Er moest gebouwd worden op een 1500 m² groot terrein. Op 18 juni 1933 kon de inwijdingsceremonie gehouden worden tijdens de eerste dienst. Dat het nog “in het niets lag” blijkt uit dat de brug die beide delen Diepenbrockstraat met elkaar zou moeten verbinden nog gebouwd moest worden. De kerk werd gebouw naar een ontwerp van architect Jordanus Roodenburgh, een vertegenwoordiger van de bouwstijl Amsterdamse School. Het was echter niet zijn eerste ontwerp, dat tot uitvoer zou worden gebracht. Roodenburgh dacht eerst aan een veel kleinere kerk met bijgebouwen, dat ingebed zou worden tussen de stadsvilla’s die hier gebouwd waren/werden. De kunstredactie van De Telegraaf van 19 juni 1933 omschreef dat als middeleeuws eenvoudig. Het werd heel anders. Er kwam een spits gebouw van eigenlijk slechts één bouwlaag met daarbovenop een puntgevel met zadeldak, die duidelijk boven de omgeving uitsteekt. In die gevelwand, grotendeels opgetrokken uit baksteen met hier en daar wat natuursteen, is een toegang onder een boogconstructie geplaatst, met daarboven een groot kruis in diepliggend glas in lood. Dit hoge puntdak wordt, in weerwil van het oorspronkelijke ontwerp, qua hoogte nog overtroffen door de klokkentoren en de daarop staande torenbedekking. In de kerk is gebruik gemaakt van spitsboogconstructies om het dak te ondersteunen. Het baksteen wordt hier en daar onderbroken door bewerkte natuurstenen sluitstenen met beeldhouwwerk van Louise Beijerman. De kerk werd bekend als Remonstrantse Kerk Vrijburg, die in de jaren na oplevering overkwam van Keizersgracht 102, de Rode Hoed. Op 26 september 2005 werd het gebouw opgenomen in het rijksmonumentenregister. Daarbij was niet alleen gekeken naar de architectonisch en cultuurhistorische waarde. Zo werd de kerk ook hoog beoordeeld als overblijfsel van architectuur binnen het protestantisme in het tweede kwart van de 20e eeuw. Enkele kerken uit die periode waren alweer uit het stadsbeeld verdwenen; deze was in 2005 nog puntgaaf. Daarnaast is het gebouw opvallend vanwege de inpassing in het stedenbouwkundig plan in het wijkje, dat tegenover het Beatrixpark werd gebouwd. Bovendien is er in de omgeving niet zo’n hoge kap te vinden met zo’n hoge torenspits. In 2023-2024 krijgen kerkgangers te maken met een “herbeleving”; de Diepenbrockstraat ligt dan in verband met herstelwerkzaamheden een jaar open.

Pinguïns (Jan Trapman)
Pinguïns (Jan Trapman)

Pinguïns in een kunstwerk van Jan Trapman in Amsterdam-Zuid. Trapman was een van de kunstenaars die in de crisisjaren van rond 1930 opdrachten kreeg van de gemeente Amsterdam voor het leveren van beelden tegen een vergoeding om in het levensonderhoud te kunnen blijven voorzien. Zo maakte hij de Tijger en Beer voor de borstwering tussen de Vierwindstrekenbrug en het Erasmuspark. Het is waarschijnlijk de bedoeling geweest ook deze pinguïns rondom de brug te plaatsen maar in de stukken van de Dienst der Publieke Werken, verantwoordelijk voor de brug, is er niets van terug te vinden (de tijger en beer overigens wel). Wel is terug te vinden dat deze dienst in 1941 een ontwerp heeft gemaakt voor de sokkel van de pinguïns voor plaatsing in het Beatrixpark, al zij het met een plaatsing op een iets andere plek. De tekening daarvan zit in dezelfde map van het ontwerp van de ondergrond voor het beeld Meermin van Leo Braat. Trapman beeldde diverse soorten pinguïns af, die normaliter nooit bij elkaar zouden staan. Bovendien beeldde hij de pinguïns allemaal in dezelfde hoogte af, terwijl in de natuur de diverse soorten pinguïns variëren in grootte. Een van de vogels loopt daardoor met een gebogen nek. Het beeld is voorzien van het monogram van de beeldhouwer, een cirkel met de letters JTR. De sokkel van 120 cm hoogte, waarvan een groot deel onder water, bestaat uit geelbruine bakstenen die in een soort Amsterdamse Schoolstijl zijn gemetseld.